HOOFDSTUK 5 @BRK#Gilan en Arnaut stonden over de op Gilans bureau uitgevouwen kaart gebogen. Arnaut wees met de punt van zijn dolk naar verschillende punten op de kaart en nam het woord. ‘Volgens onze spionnen is de Clan van de Rode Vos ergens in deze bossen bijeengekomen.’ Hij volgde met zijn dolk de slingerende lijn van een rivier en stopte bij een plek op vier dagen reizen van kasteel Araluen. ‘De Wezel,’ las Gilan de naam van de rivier voor. Hij wees naar een markering op de noordelijke oever, bij een lange bocht. ‘Wat is dit?’ vroeg hij. ‘Een oud fort,’ antwoordde Arnaut. ‘Daar wordt al eeuwenlang geen gebruik meer van gemaakt.’ ‘En gebruikt de Clan het nu?’ informeerde Gilan. Arnaut schudde zijn hoofd. ‘Nee. Voor zover ik weet hebben ze een kamp ergens op de zuidelijke oever, hier, in de buurt van deze bocht.’ ‘Dus als we ze vanuit het zuiden benaderen zitten ze ingeklemd tussen ons en de rivier.’ ‘Ja, dat is zo. De rivier is diep, met maar weinig doorwaadbare plaatsen. Uit tactisch oogpunt gezien is het niet zo’n handige plek. Maar ja, van tactiek lijken ze sowieso niet zoveel kaas te hebben gegeten.’ ‘Dus het zijn geen geoefende krijgers?’ vroeg Gilan. ‘Nee, als ik de verhalen moet geloven niet. Het zijn vooral rovers en bandieten die zich bij de Clan hebben aangesloten omdat ze ervoor betaald worden. In de leiding zitten wel een paar mensen met krijgservaring, maar de rest schijnt een zooitje te zijn.’ ‘Aantallen?’ Arnaut zette de punt van zijn dolk in een ruwe plek van het bureaublad. ‘Dertig à veertig, meer niet,’ antwoordde hij. Hij voelde de volgende vraag al aankomen en vertelde verder. ‘Ik denk dat we twintig bereden soldaten en twintig boogschutters mee moeten nemen.’ Hij keek even naar Gilan. ‘Ze zijn goed getraind en hebben allemaal al vaker strijd gevoerd. Ik denk niet dat veertig ongeorganiseerde opstandelingen ons veel problemen zullen bezorgen.’ Gilan lachte. ‘Zeker niet als wij meegaan,’ zei hij. Hij bedoelde het als een grapje, maar er zat een flinke kern van waarheid in. Arnaut was behendig, snel en sterk, en hij gold als de beste krijger van het land. Zijn grote talent was ontdekt toen hij zestien was, en nu, vele jaren later, had hij ook nog eens een flinke dosis ervaring opgedaan. En Gilan was natuurlijk commandant van de Grijze Jagers, en dat werd je alleen als je een van de uitblinkers van het korps was. ‘We nemen voor tien dagen rantsoen mee,’ legde Arnaut aan de Jager uit. ‘Gedroogd vlees, fruit en veel plat brood. Elke man heeft twee veldflessen bij zich. Als we eenmaal op pad zijn wil ik opschieten en de Wezel bereiken voordat ze hebben gehoord dat we onderweg zijn. Hoe eerder we dit oplossen, hoe beter. ’s Avonds slaan we onze tenten op en we vermijden steden en dorpen.’ ‘Dat is slim, ja. Hoe minder mensen ons zien, hoe beter. Wanneer vertrekken we?’ ‘De cavaleristen zijn bezig hun paarden rijklaar te maken. Die hebben de afgelopen maanden vrij kunnen grazen en moeten weer even wennen aan een ruiter op hun rug. Als ze zo lang vrij zijn geweest, worden ze half wild. Tegen het eind van de week is dat wel opgelost. Dan zie ik Maddie ook nog even voordat we vertrekken.’ Maddie werd de volgende ochtend verwacht. ‘Misschien kun jij morgen de wapens van de boogschutters aan een inspectie onderwerpen,’ ging Arnaut verder. ‘Jij weet beter dan ik waar je op moet letten.’ Gilan knikte instemmend. Hij schoof de kaart over de tafel en ontrolde die nog een stukje verder, zodat hij kon zien waar kasteel Redmont ten opzichte van de Wezel lag. ‘Halt en Will zijn vast al een flink eind op streek,’ zei hij. ‘Denk je dat zij iets zullen vinden?’ Arnaut haalde zijn schouders op. ‘De informatie was nogal vaag. Het waren meer geruchten dan feiten. Maar ik kan het niet zomaar negeren. Ik zal beter slapen als ik weet dat die twee de zaak hebben onderzocht. Die Clan van de Rode Vos kan best een bijeengeraapt stelletje blaaskaken zijn, maar zo’n idee kan zomaar de wind in de zeilen krijgen en tot een serieuze bedreiging uitgroeien. Voor je het weet zitten we dan met een heuse opstand. Ik druk dit liever zo snel mogelijk de kop in.’ Gilan liet de rand van de kaart los, waardoor die zichzelf weer oprolde. ‘Dat is de beste aanpak, ja,’ zei hij. ‘Ingrijpen voordat het uit de hand loopt.’ Arnaut, die over het bureaublad gebogen stond, kwam overeind. Hij rolde de kaart weer op tot een strakke koker en schoof er een bruin lintje omheen. ‘Het kost ons drie à vier dagen om de Wezel te bereiken,’ zei hij. ‘Daarna zijn we nog wel even bezig met het zoeken van het kamp van de Clan. En dan kunnen we er een einde aan maken.’ Gilan was het eens met het plan, maar helemaal tevreden was hij niet. Er zat hem toch nog iets dwars. Arnaut zag het aan zijn gezichtsuitdrukking. ‘Is er nog een probleem?’ Gilan aarzelde. ‘Nu ja, met veertig cavaleristen en boogschutters nemen we meer dan de helft van alle manschappen van het kasteel mee,’ zei hij na een tijdje. ‘Cassandra heeft dan wel een beetje weinig bewaking als er hier iets gebeurt.’ Maar dat probleem zag Arnaut niet zo. ‘Araluen is makkelijk te verdedigen,’ zei hij. ‘Een kleine eenheid is daar meer dan genoeg voor. En Cassandra is een goede commandant, hoor. Ze heeft al heel wat strijd geleverd.’ Gilan knikte. ‘Ja, dat is zeker,’ zei hij. Cassandra had zich in allerlei verschillende strijdperken bewezen, van de kustvlakte van Skandia en de woestijn van Arrida tot de woeste bergen van Nihon-Ja. Doordat kasteel Araluen ook nog eens op een vrijwel onneembare positie lag, was het inderdaad zo goed als zeker dat ze een aanval zonder veel moeite zou kunnen afslaan. @BRK#Maddie en Ingrid waren na hun vertrek uit Redmont al flink opgeschoten. Het was lekker weer en de wegen waren goed. Ingrid keek naar de zon en las aan de stand ervan de tijd af. ‘Je moet je binnenkort omkleden,’ waarschuwde ze. ‘Het is tijd om weer prinses te worden.’ Maddie trok misprijzend haar neus op. Ze droeg nog altijd haar Jagerskleren, maar ze had haar kap naar achteren geslagen en was nu dus blootshoofds. De kleren die ze als Jager droeg zaten haar als gegoten. Ze pasten losjes om haar lijf en zaten haar nooit in de weg. Het gewaad dat ze binnenkort aan moest trekken zat daarentegen strak en ongemakkelijk, maar dat was dan ook ontworpen om er mooi uit te zien en niet om soepel in te kunnen bewegen. Bumper hinnikte. Modepop. ‘Niet lachen, sjouwpaard,’ zei ze zachtjes. Ingrid keek Maddies kant op. ‘Zei je iets?’ Maddie schudde gauw haar hoofd. Ze wist niet goed hoe Ingrid zou reageren als ze begreep dat Maddie tegen haar paard praatte en ervan overtuigd was dat het paard ook dingen terugzei. Waarschijnlijk zou ze haar meesteres voor gek verklaren. Maar dat vond Ingrid haar waarschijnlijk toch al. Wie koos er nou voor het ruwe, ongepolijste bestaan van Jagersleerling als ze ook het luxueuze, weldadige leven van een prinses kon leiden? Maar die gedachten verdwenen als bij toverslag toen Ingrid naar voren wees. ‘We hebben gezelschap.’ Ze hadden het platteland in de omgeving van de rivier verlaten, want de weg voerde hier door het Alderbos. De bomen waren hoog en stonden aan weerszijden van het pad dicht op elkaar. Het pad zelf was hier ook een stuk smaller. De twee jonge vrouwen konden er nog maar net naast elkaar rijden. Ongeveer dertig meter voor hen waren twee mannen uit de struiken tevoorschijn gekomen. Ze waren allebei zwaar van stuk en hun kleren zagen er haveloos en vies uit. Beiden waren gewapend. De man rechts droeg een boog waar hij een pijl op had liggen, maar hij spande de pees nog niet aan. Boven zijn schouder staken de veren uit van meer pijlen, die hij in een koker op zijn rug droeg. Aan zijn riem bungelde een lang mes. De andere man was iets langer en had in zijn rechterhand een zware knuppel die was gemaakt van hardhout. De knuppel had een dik uiteinde, dat overging in een dunner, met leer omwikkeld handvat. Verspreid over het dikke uiteinde zaten enkele scherpe ijzeren punten. Het wapen zag er al met al erg onaangenaam uit – net als de man die het vasthield. De beide meisjes trokken als vanzelf aan de teugels om hun paarden tot stilstand te dwingen. Onder zich voelde Maddie het lijf van Bumper bij wijze van waarschuwing rommelend trillen. ‘Misschien hadden we ons toch moeten laten begeleiden,’ zei Ingrid zachtjes, maar Maddie merkte dat ze niet al te bezorgd klonk. ‘Voor deze twee klunzen?’ antwoordde ze. ‘Dat meen je toch niet?’ Maddie tilde haar rechterbeen over het zadel en liet zich van de rug van Bumper glijden. Tegelijk pakte ze met haar ene hand de onder haar riem geklemde slinger en deed ze met haar andere een greep in haar buidel, waarin verschillende loden balletjes zaten. Haar boog zat rechts aan haar zadel vastgebonden, maar daar maakte ze zich nu niet druk om. Ze had toch al besloten dat ze dit gevecht met haar slinger zou voeren. Zonder te kijken legde ze een van de kogeltjes in de slinger. Het vanzelfsprekende gemak waarmee ze het deed had misschien als waarschuwing voor de twee struikrovers kunnen dienen. Maar de mannen waren te zeker van hun zaak, en ze zagen in deze twee meisjes geen enkel gevaar. Maddie deed een stap opzij, bij Bumper vandaan, zodat ze de ruimte had om met haar slinger te zwaaien. Ingrid keek even opzij. ‘Wat ben je precies van plan?’ Maddie haalde haar schouders op. ‘Laten we maar eens kijken,’ zei ze, en ze liet de slinger langs haar zij hangen. Bumper bleef onafgebroken zachtjes grommen, een donker geluid dat diep vanbinnen kwam en maar een paar meter ver droeg. De man met de boog hief zijn wapen, maar trok nog altijd de pijl niet naar achteren. ‘Niet moeilijk doen, meisjes,’ riep hij. ‘Geef ons maar gewoon zo snel mogelijk jullie waardevolle spullen. Dat is voor iedereen het makkelijkst.’ Zijn toon klonk geamuseerd. Maddie kreeg het gevoel dat de man heel tevreden was met de situatie. Ingrid droeg mooie, dure kleren, dus die zou ook vast wel de nodige sieraden bij zich hebben. Ze reed bovendien op een sterke, gezonde merrie, dus dat paard zou ook flink wat geld opleveren. Datzelfde gold voor Zonnedanser, die achter de twee meisjes aankwam en hun bepakking droeg. Bumper maakte weinig indruk op de mannen. De tonronde pony was vast wel sterk en werkte ongetwijfeld hard, maar zou niet veel opleveren. Al met al zagen de twee meisjes er in de ogen van de struikrovers uit als een prima prooi. Ze waren hulpeloos en werden niet beschermd door bewakers, dus de kans op verzet tegen twee gewapende mannen was heel klein. ‘Ik denk dat we maar gewoon hier blijven,’ antwoordde Ingrid. En daarna, zachtjes tegen Maddie: ‘We kunnen altijd nog rechtsomkeert maken.’ Maddie schudde haar hoofd. ‘Zo makkelijk zullen ze het ons niet maken, denk ik. Kijk maar eens achterom, dan zie je vast dat een derde man daar inmiddels het pad blokkeert.’ Ingrid keek over haar schouder en zag dat Maddie gelijk had. Een al even haveloos uitziende man, gewapend met een zware stok met een pijlpunt, stond op de plek waar het pad van het platteland het bos in voerde. Zijn silhouet stak scherp af tegen de laagstaande zon achter hem. ‘Je hebt gelijk,’ zei ze. Ze pakte haar karwats wat steviger vast. Ingrid gebruikte die nooit bij haar paard, maar zag het meer als een geheim wapen. Hij bestond uit een stuk taai essenhout van ongeveer vijftig centimeter, met aan het uiteinde een glanzende stenen knop. Het andere uiteinde liep uit tot een van leer gevlochten zweep. En zoals voor dames gebruikelijk was, droeg ze een dolk aan haar riem. ‘Ik neem eerst die boogschutter te grazen,’ fluisterde Maddie tegen haar reisgenote. ‘Als het meezit slaan die andere twee dan meteen op de vlucht.’ ‘En als het niet meezit?’ informeerde Ingrid. Maddie grinnikte. ‘Dan hebben ze pas echt pech gehad,’ antwoordde ze.